
Jurisprudentie
AV7189
Datum uitspraak2006-05-16
Datum gepubliceerd2006-05-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01362/05
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-05-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01362/05
Statusgepubliceerd
Indicatie
Tul en samenloopregeling. Het hof heeft op 1-12-04 n.a.v. vordering tul i.p.v. 4 maanden gevangenisstraf, een werkstraf van 240 uur opgelegd, terwijl verdachte bij vonnis van de rb Rotterdam van 1-7-4 t.z.v. een van de onderhavige zaak afgesplitste zaak, was veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur. De samenloopregeling van de art. 57 tot en met 63 Sr is in zo’n geval niet toepasselijk. Het gaat hier immers wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet om de oplegging van een straf, maar enkel om de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. In dat eerdere stadium dient de rechter de samen-loopregeling van Sr in acht te nemen. In het latere stadium, dat van de tenuitvoerlegging, is dat niet meer aan de orde.
Conclusie anoniem
Nr. 01362/05
Mr. Vellinga
Zitting: 21 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 1 december 2004 wegens (1 subsidiair) medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, en (2) medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier voorwaardelijk. Voorts is de tenuitvoerlegging bevolen van het bij vonnis van de Rechtbank van 18 februari 2002 opgelegde voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf in die zin dat een gedeelte van vier maanden zal worden ten uitvoer gelegd, en wel in dier voege dat het zal worden omgezet in een werkstraf van tweehonderdveertig uren subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis, en dat van de overige vier maanden de proeftijd zal worden verlengd met één jaar.
2. Namens verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen klagen dat het Hof ten onrechte de beslissing tot voeging van bij één dagvaarding aangebrachte zaken niet ongedaan heeft gemaakt hoewel de verdachte daardoor is benadeeld. Omdat hem ter zake van de afgesplitste feiten een taakstraf van 120 uur is opgelegd, zou het, gelet op het maximaal aantal uren werkstraf van 240 uur (art. 22c lid 2 Sr), als de zaken niet waren gesplitst volgens de toelichting op de middelen niet mogelijk geweest in de onderhavige zaak alsnog de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te bevelen in de vorm van een werkstraf van 240 uur.
4. De middelen gaan er aan voorbij dat de beslissing tot splitsing is voorbehouden aan de feitenrechter en zich niet leent voor toetsing in cassatie.(1) Na splitsing is sprake van afzonderlijke zaken, zodat het maximum aantal uren werkstraf als bedoeld in art. 22c, tweede lid, Sr geldt voor iedere zaak afzonderlijk. De middelen kunnen daarom verder onbesproken blijven.
5. Ik merk nog op niet blijkt dat zijdens verdachte in hoger beroep bezwaar is gemaakt tegen de beslissing tot splitsing van de Rechtbank.
6. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie HR 20 april 2004, NJ 2005, 241. Zie voor de beslissing tot voeging HR 4 oktober 1983, NJ 1984, 237; HR 2 december 1986, NJ 1987, 570.
Uitspraak
16 mei 2006
Strafkamer
nr. 01362/05
AGJ/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 december 2004, nummer 22/004455-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 3 april 2003 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd" en 2. "medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat art. 22c Sr en art. 63 Sr zijn geschonden, aangezien het Hof aan de verdachte, ter vervanging van vier maanden alsnog ten uitvoer te leggen gevangenisstraf, een werkstraf heeft opgelegd voor de duur van 240 uren, terwijl de verdachte bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 1 juli 2004 ter zake van een van de onderhavige zaak afgesplitste zaak, reeds was veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren.
4.2. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat in een geval als het onderhavige de samenloopregeling van de art. 57 tot en met 63 Sr toepasselijk is. Die opvatting is onjuist. Het gaat hier immers wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet om de oplegging van een straf, maar enkel om de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. In dat eerdere stadium dient de rechter de samenloopregeling van het Wetboek van Strafrecht in acht te nemen. In het latere stadium, dat van de tenuitvoerlegging, is dat niet meer aan de orde.
4.3. Het middel faalt.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 16 mei 2006.

